China en Amerika, confrontatie of verstandshuwelijk? - Mark Blaisse
935
post-template-default,single,single-post,postid-935,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-content-sidebar-responsive,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-17.0,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-5.5.5,vc_responsive

China en Amerika, confrontatie of verstandshuwelijk?

Op 11 januari, verscheen de Nederlandse vertaling van Monsoon, the Indian Ocean and the Future of Power van de Amerikaanse publicist Robert Kaplan. Een opmerkelijk boek waarin de havik Kaplan de wereld ervan probeert te overtuigen dat China en de Verenigde Staten vrijwel op voet van oorlog staan. Dat komt volgens hem omdat China de kans krijgt links en rechts zijn militaire macht uit te breiden terwijl de Amerikaanse defensiebudgetten juist snel teruglopen. Hoewel Kaplan gerekend moet worden tot diegenen die het niet alleen goed voor hebben met de VS maar ook met de wapenproducenten in dat land (en daar is oorlog natuurlijk alleen maar goed voor) heeft hij niet helemaal ongelijk met zijn observaties. De Chinese  militaire opmars vindt inderdaad plaats, met name in de Stille Oceaan en de Chinese Zuidzee, traditioneel het terrein van de Amerikanen. Maar dat zal niet lang meer duren, zo lijkt het althans, gezien de financiële beperkingen van de Amerikaanse marine en luchtmacht, die binnenkort niet voldoende tegenwicht meer kunnen bieden voor de sterk groeiende Chinese strijdkrachten.

In Foreign Affairs onderstreept Elizabeth Economy, hoofd van de Azië afdeling van de adviesraad voor buitenlandse zaken van de VS, deze visie. Zij haalt de Chinese vice-admiraal Zhang Huachen aan, die in april 2010 openlijk toegaf dat de strategie van zijn land was veranderd. ‘Wij gaan van een kustdefensie naar een defensie ver op zee omdat onze economische belangen vergen dat wij de vervoersroutes beter gaan beschermen…’ Volgens Economy wil China zijn marinecapaciteit in drie fases uitbreiden. Fase 1 naar een marine die de eerste eilandenreeks kan dekken, te weten van Japan tot Taiwan tot de Filippijnen; fase 2 naar een regionale marinemacht die Indonesië, Guam en Australië moet kunnen afdekken en fase 3 naar een marine die mondiaal kan opereren, en dat zal tegen 2050 het geval moeten zijn. Hier zou de leek inderdaad onrustig van kunnen worden. Het gele gevaar ter zee als bedreiging voor de rest van de wereld.

In werkelijkheid zal het zo’n vaart niet lopen. Minder agressieve waarnemers dan Kaplan en Economy zeggen dat China juist heel goed weet dat zijn militaire ambitie als een rode doek werkt op landen als Japan, Zuid Korea, Singapore en India. Landen waarmee China goede handelsbetrekkingen heeft en wil behouden. En Vietnam, de ideologische broer van China? Dat is zo geïrriteerd door de opdringerigheid van de grote Volksrepubliek dat het voor het eerst een gezamenlijke militaire oefening gehouden heeft met Amerika.

“Wat China wil is coöperatie, niet door zwakker te zijn dan de VS, maar door te investeren in een defensieapparaat dat zich op den duur met dat van Amerika kan meten, niet om oorlog uit te lokken, maar om vrede te bewaken.”  Dat zegt Wang Jisi, de decaan van de School of International Studies aan de universiteit van Beijing die zeer invloedrijk is binnen de Chinese Communistische Partij. China wil, met andere woorden, best Amerikaanse aanwezigheid in de regio aanvaarden als dat economische voordelen betekent. En hieruit blijkt al meteen hoe m.i. China naar de grote wereld om zich heen kijkt: als een markt, niet als een slagveld. Als een kans die gegrepen moet worden met de mooiste wapens van de wereld: hebzucht, sluwheid en kwaliteit. En de tactiek hierbij luidt: onderhandelen, geduld bewaren en blijven onderhandelen tot de tegenstander uitgeput raakt. Of Amerika dit aankan zal nog maar moeten blijken.

Kaplan en de zijnen zullen niet zo gemakkelijk opgeven: zij zien het somber in voor de toekomst van de wereld nu hun land de bijna van God gegeven rol om ons allen moreel op het juiste pad te houden niet serieus genoeg invult. Zij hebben weinig fiducie in de goede bedoelingen van China en geloven dat het alleen in bedwang kan worden gehouden met behulp van afschrikwekkende wapens, zichtbare aanwezigheid op strategische plekken en uiteraard ook met een sterke economie. Op al deze vlakken laat Amerika het echter afweten. Het heeft domweg geen zin meer om betrokken te raken bij militaire schermutselingen. Het is moe van Irak en Afghanistan en het conflict tussen Israel en de Palestijnen, moe van oorlog voeren, moe van zijn soldaten begraven. Op het economische vlak gaat het ook al niet voor de wind: de dagen van de dollar als reservemunt van de wereld zijn geteld, en dan komt daar nog de diplomatieke vernedering bij als gevolg van de pijnlijke lekken via Wikileaks. Het is een en al somberheid aan rechts Republikeinse kant!

Ik zal proberen een antwoord te geven op het doemdenken van deze Republikeinen. Het einde van het Amerikaans imperium betekent niet vanzelfsprekend het begin van een Chinees imperium. Er is nog wel degelijk sprake van een Pax Americana, al is het waar dat de Amerikanen onder Barack Obama minder zichtbaar willen en misschien kunnen zijn dan onder eerdere presidenten. Er is reden genoeg om te geloven dat er nieuwe bondgenootschappen aan het ontstaan zijn, die de VS misschien zelfs uitsluiten en die toch voor vrede kunnen zorgen. Ik denk bijvoorbeeld aan de steeds zichtbaarder wordende economische driehoek Indische Oceaan- Centraal Azië – Afrika. Klagen conservatieve Amerikanen erover dat dergelijke samenwerkingsverbanden de noodzakelijke morele dimensie missen? Alsof morele kwesties alleen een Amerikaanse aangelegenheid zijn! Zou het China inderdaad niets kunnen schelen dat Iran kernwapens ontwikkelt zolang het maar aardgas levert, zoals in sommige Amerikaanse kringen wordt beweerd? Dat zou betekenen dat Beijing geen last zou hebben van groeiende spanningen in het Midden Oosten, dat het cynisch, kortzichtig en dom zou zijn. Dat lijkt mij de Chinese leiders ernstig onderschatten.  China is wel degelijk in staat gebleken een betrouwbare partner te worden in internationale veiligheidssystemen. Het is in China’s belang vrede te handhaven in strategisch belangrijke gebieden, of het nou om afzetmarkten gaat of energiebronnen. Afspraken maken met de Amerikanen over het te volgen beleid lijkt vandaag de dag even belangrijk als het ten tijde van de Koude Oorlog was voor Moskou en Washington, toen ook -al dan niet geheim gehouden- deals werden gesloten.  

Confucius

Waarom denk ik dat China eerder naar vrede dan naar oorlog neigt?

Om iets van het denken in het huidige China te begrijpen is het goed om iets te weten van China’s verleden. Het moderne China zegt te willen bouwen op de combinatie van Confuciaanse filosofie en communistische idealen. Laten we daarom even focussen op Confucius. Confucius leefde van 551 tot 479 voor Chr. als leermeester en filosoof tijdens de Zhou Dynastie. Van Confucius zijn geen geschriften bewaard gebleven,  maar na zijn dood zijn diens observaties vastgelegd in de Analecten. Confucius hield van heldere, korte beweringen. Bij hem ligt de nadruk op opleiding, ritueel en relaties die weliswaar hiërarchisch zijn maar die zowel voor de superieure als voor de onderliggende partij voordeel  bieden. Leren helpt de mens completer en wijzer te worden;  rituelen brengen hem discipline bij en relaties zorgen ervoor dat eenieder zijn eigen verantwoordelijkheid en plaats kent. Dat schept op zijn beurt weer orde en overzicht. Ruzie en oorlog zijn overbodig en kosten alleen maar geld en energie die veel beter kan worden aangewend om gelukkiger te worden. Politieke leiders zijn voor Confucius -met andere woorden- eerder vaders dan generaals en hebben als opdracht hun onderdanen te helpen, niet om ze de oorlog in te jagen. 

Het huidige regime in Beijing zegt onder meer te leunen op deze visies van Confucius, waarbij het gaat om continuïteit, bouwen op het verleden, op weg naar een vreedzame en welvarende toekomst. Is dit alleen dialectiek om de wereld gerust te stellen of is het de ware geest van de Chinese strategen? Dit is inderdaad niet gemakkelijk te beantwoorden, zoals het vrijwel onmogelijk blijft om precies te weten wat er achter de muren van de regeringsgebouwen in Beijing wordt bekokstoofd. Vast staat dat de helden en heldendaden uit het verleden, net als de rituelen en wijsheden, gebruikt worden om de grootsheid van China te onderbouwen. Het land heeft nog steeds het gevoel niet als helemaal volwaardig te worden gezien door de rest van de wereld. Het vindt dat het vaak is misbruikt, verkeerd begrepen en geïsoleerd is en heeft daarom sterk de behoefte aan zelfophemeling. Dat komt bij buitenlanders soms vreemd  -om niet te zeggen belachelijk- over, maar je kunt het ook zien als een poging zelfvertrouwen -en daarmee beheersing-  te hervinden. Ook wordt het heroïsch verleden gebruikt als een aanmoediging in de richting van de miljoenen Chinese emigranten  -van Australië tot Canada, en niet te vergeten de zogenaamd afvallige Chinezen uit Taiwan-  om in de Volksrepubliek te investeren. Confucius hield van stabiliteit en sociale harmonie en dat geldt ook voor de huidige Chinese leiders, president Hu Jintao voorop.

Geloofde Mao nog marxistisch in vooruitgang door strijd en confrontatie, Hu mikt juist op vooruitgang door samenwerking en compromissen met een marxistische inslag. Dat wil zeggen dat iedereen er beter op moet worden, niet alleen de elite. Natuurlijk zullen sommige kenners van Confucius aandragen dat in het wereldbeeld van de filosoof ondernemers en kooplieden erg laag op de ladder stonden, ver onder wetenschappers en docenten bijvoorbeeld, en dat het Confucianisme eerder economische vooruitgang afremde dan stimuleerde, maar de praktijk heeft toch anders uitgewezen: juist de instelling om te delen en samen te werken heeft zakelijke successen gegenereerd, kijk maar naar Singapore, Taiwan, en Hong Kong, waar Confucius ook in het DNA zit, in de vorm van een gezamenlijke filosofische basis die samenwerken tussen kapitalisten en communisten van eenzelfde culturele achtergrond mogelijk maakt.

Harmonie

‘He’, is Chinees voor harmonie en lijkt het favoriete woord om de eigen bevolking en de rest van de wereld gerust te stellen.  Harmonie, maar dan wel op Chinese voorwaarden?  Harmonie zolang China mag groeien, zolang China zijn grondstoffen kan bemachtigen. De Chinees heeft niet veel op met christelijke waarden en normen: hij leeft nu, voor zijn clan en vooral voor zichzelf. Niks hiernamaals voorbereiden op aarde. Nu leven, nu verdienen, nu vooruit komen.  En het is waar dat China zich niet meer door anderen laat vertellen wat het moet doen, of zijn, of vinden. Het wil de regels van het spel zelf bepalen. En het wil nog sneller verstedelijkt raken, en groen, innovatief, creatief, genetwerkt en welvarend, ja, boven alles welvarend. In 1990 woonde 25% van alle Chinezen in steden; nu is dat 45% en in 2035 zal dat 70% zijn. Dat zal gigantische gevolgen hebben voor het kennisniveau, de eerlijkere verdeling van sociale diensten, de verkleining van de kloof tussen arm en rijk. Het is China’s Confuciaanse ambitie om door kennis vernieuwend te worden en niet bekend te blijven als goedkoop productieland. Het wil niet meer blijven nabootsen en stelen, maar zelf met de eer van de innovatie strijken. Honderdduizenden Chinezen die in het buitenland –met name in Amerika- hebben gestudeerd worden tegen hoge salarissen teruggehaald naar het moederland om deze ambitie te verwezenlijken.

De nieuwe steden zullen groener worden dan de onze dankzij honderden miljarden die gestoken worden in de schone energiesector. Bijna de helft van alles wat in de wereld wordt neergezet aan gebouwen staat in China. Er komen de volgende tien jaar 30.000 wolkenkrabbers bij. Shanghai krijgt er de komende jaren tien satelliet steden bij, elk bewoond door ruim een miljoen mensen. Tegen 2050 zullen de stadsbewoners in China goed zijn voor meer dan 20% van de energie- en water consumptie op aarde. En dat terwijl er groot gebrek is aan energiebronnen en water. U ziet de problemen al op China afkomen, ook wat betreft de mentaliteit van de bevolking, die mondiger, slimmer en moderner wordt en dus kritischer. Bijna 500 miljoen Chinezen hebben internet. Zij kunnen snel en doeltreffend communiceren en dus eventueel ook een vorm van oppositie organiseren. Zo zijn er dankzij internetactivisten de afgelopen maanden dissidenten vrijgekomen, dammen niet gebouwd en milieurampen bekend gemaakt. Er zijn menselijke iconen op het internet geboren, zoals de kunstenaar Wei Wei, die rechtvaardigheid eist voor de families van kinderen die tijdens een aardbeving zijn omgekomen. Dit zou een paar jaar geleden nog ondenkbaar zijn geweest.

De ambitie van de Chinese overheid is de middenklasse met nog eens 400 miljoen mensen te laten groeien en dat in afzienbare tijd: nog meer eisende burgers dus. Internet zal de autoriteit van de Communistische Partij gaan aantasten, daar is geen (bus)kruid tegen gewassen. Haar prioriteit is intussen niet de mondiale vrede verstoren maar economische groei en stabiliteit stimuleren, net als ten tijde van Deng Xiaoping. Met dat verschil dat China vandaag de internationale context zelf wil scheppen. Om te beginnen door investeringen in trage economieën te bevorderen in Afrika, Latijns Amerika en Zuid Oost Azië. China neemt projecten aan waar anderen zich niet aan willen branden. Daarmee creëert het goodwill en genereert het voor zichzelf kapitaal. China biedt opleidingen, infrastructurele ondersteuning, snelle financiering, artsen en andere specialisten en dat alles zonder al teveel vragen te stellen. A-moreel, zou Kaplan zeggen, maar wel effectief.  (Het is echter ook waar dat China op groot verzet is gestuit in landen als Bangladesh, Peru en Zambia vanwege de meedogenloosheid van zijn optreden, zijn dedain voor veiligheid en gezondheid van zijn werknemers en zijn overtredingen van de milieuwetten.)

Onzichtbaar
Als we China moeten vrezen dan is het niet op militair gebied, maar op het economische vlak. Iedereen weet dat China in zekere zin de Amerikaanse economie overeind helpt houden doordat het voor triljarden aan staatsobligaties bezit. Waarom drijven Chinezen in het buitenland vaak restaurants, wasserijen en snuisterijenwinkels? Omdat je die overal kunt beginnen. Omdat je niet vast zit aan onroerend goed, banken, grote voorraden en je dus altijd snel weg kunt. Maar ook omdat je niet zo zichtbaar bent wanneer je een Chinees restaurant drijft. Je kunt op je gemak investeren, misschien zelfs wel onder een niet Chinese naam. Je kunt onzichtbaar rijk worden en machtig. En op een dag komt Amerika erachter dat de grote corporaties al lang niet meer in Amerikaanse handen zijn, dat de Smith op de officiële papieren eigenlijk een Chang is. 

Er zijn 30.000 Chinese restaurants in Amerika, terwijl er maar een handvol McDonald’s in dat enorme China staan.  Daar zit de uitdaging: de verovering van binnenuit is al lang begonnen. Wie wil er nog oorlog voeren als de economie van de potentiële vijand al in je handen is? Dan is het hooguit tijd voor een harmonieuze oplossing.

De macht van het internet wordt door China intussen ook voor het eigen imago gebruikt. Er is sinds enige tijd sprake van een ware media oorlog om de kritiek op China tegen te spreken aan de hand van positief nieuws in Chinees perspectief. Je moet er bijna een beetje om lachen… Meer dan 80 miljard dollar is geïnvesteerd om het Verhaal over China recht te zetten. De Xinhua News Agency heeft een 24-uurs nieuwsprogramma in de lucht gebracht om te concurreren met CNN en de BBC. En waar staat het hoofdkantoor van deze tv-zender? Op Times Square, New York City, waar anders? China’s staatsmedia beschikken over 400 correspondenten in 117 bureaus rond de wereld, allemaal in dienst van propaganda. Maar ook een teken dat China snapt dat het openheid van zaken moet geven. Niet alleen buiten het land maar ook daar binnen. Dat betekent misschien minder censuur, minder internet politie en meer vrijheid van meningsuiting. Niet erg optimistisch werd de vrije wereld in dit opzicht van de uitreiking van de Nobel Prijs voor de Vrede. Niet alleen kwam China met een alternatieve, vrij idiote vredesprijs waarvoor ze slechts een totaal onbekende kandidaat vond en boycotte het de prijsuitreiking omdat het winnaar, Liu Xiaobo, een  subversieve activist noemt, maar het dwong ook vooraanstaande zakenpartners de ceremonie te boycotten. En met succes! Zo lieten Venezuela, Marokko, Servië, Pakistan, Afghanistan, Colombia, Algerije en nog wat van die ´failed states´ het afweten.

Het heft in eigen hand nemen luidt het devies dus van China. En dan niet volgens de Washington maar volgens de Beijing consensus, het model waarbij staatsbemoeienis en liberalisering hand in hand gaan. Autoritaire besluiten horen hierbij, zoals het afschermen van zeldzame grondstoffen, steun voor staatsbedrijven, protectionisme van de binnenlandse markt, een mercantilistisch exportbeleid en een nationalistische innovatiecultuur. Scheldwoorden in de oren van de Westerse economie. Maar wel een model dat ver buiten China aanslaat, zoals in India, Brazilië, Rusland, Indonesië, Mexico, Turkije en Zuid Korea. Hoe moet Amerika daarop reageren? Kreten als ‘beheersbaar maken’ of  ‘meer engagement tonen’ of een ‘de Chinezen een lesje lezen over mensenrechten’ lijken passé.

Kanstijdperk

Wat is dan wel de juiste weg? Innovatievelden claimen om niet afhankelijk te worden. Zoveel mogelijk onafhankelijk worden van zeldzame grondstoffen. Het huidige tijdperk niet als het angsttijdperk maar het kanstijdperk zien. Washington zou daarnaast nog meer overleg moeten plegen met zijn natuurlijke vrienden, de EU en Japan. Daarbij zal Amerika de nadruk moeten blijven leggen op vrijheid –van meningsuiting, maar ook van de zeeën, het luchtruim, de handel, de loop van de wet en de politieke vrijheid die hand in hand gaat met mensenrechten. Niet gemakkelijk met China, maar opgeven van deze basiswaarden zou catastrofaal zijn. Ook hier is het een kwestie van geven en nemen. Verder zal veel beter samenwerken met de overige grote spelers zoals India, Rusland, Indonesië en Brazilië, essentieel worden nu Amerika aangeeft het niet meer alleen te kunnen trekken, noch financieel, noch psychologisch. 

Over een jaar of  dertig, veertig, zal China de VS economisch van de eerste plaats hebben verdrongen. Betekent dat dan dat de gemiddelde Chinees even rijk zal zijn als de gemiddelde Amerikaan? Deskundigen geloven daar niks van. Ook de opbrengst per hoofd van de bevolking  zal niet even hoog zijn. Maar China zal ongetwijfeld nog meer in de internationale melk te brokkelen hebben. Mogelijk staat de Wereldbank dan in Sjanghai (waarom zou de wereld akkoord gaan met het voortbestaan van het Westen als centrum van de aarde?) Mogelijk is de yuan ons aller reservemunt geworden. Intussen waarschuwen economen voor de ontploffing van de Chinese economische ketel, die veel te hard wordt opgestookt. Moody´s Investor Services en Fitch Rating wijzen op de verborgen risico´s van het Chinese banksysteem. Corruptie, bad loans, gemanipuleerde prognoses, het creëren van Westers aandoende hypotheekluchtbellen, het zijn even zoveel gevaren die in China dreigen en die een domper op de groei zouden kunnen vormen. Het is duidelijk waarom China de waarde van de yuan laag wil houden: het stimuleert de export en het houdt de op lage marges werkende fabrieken langs de zuidelijke kustlijn van China in leven. Maar tegelijkertijd is er ook sprake van een zekere vervalsing van de economie. Goed nieuws is dat de autoriteiten in deze kwesties hun verantwoordelijkheid zijn gaan inzien en hebben ingegrepen. China zal doen wat het wil, maar zal ook noodgedwongen rekening houden met de rest van de wereld. Zoveel heeft het geleerd met zijn confuciaans-communistisch model. Samenwerken met Amerika, elkaar geruststellen wordt erg belangrijk, belangrijker dan elkaar bedreigen. Bewustwording dat elkaar overheersen geen optie is maar –integendeel- een ramp zou zijn voor de betreffende samenlevingen en ook voor de rest van de wereld. Om een consensus te bereiken zijn consultatieve mechanismen nodig die de partijen in staat stellen om gezamenlijke lange termijn strategieën te ontwikkelen en de posities van de twee landen te coördineren op internationale conferenties.  Een nieuwe wereldorde als gemeenschappelijke onderneming.

Daarmee geef ik antwoord op de vraag van Kaplan: China en de Verenigde Staten stevenen niet af op een gewapend conflict omdat de een de ander zijn positie wel moet gunnen… De half miljard Chinese Facebook gebruikers zullen via hun snelle contacten een soort van veiligheidsmuur vormen tegen geweld. En intussen? Mijn gevoel is dat de wereld China voor meer zou moeten respecteren dan zijn goedkope arbeid, zijn werklust en zijn economische ambitie. We moeten China zelfvertrouwen geven, feliciteren met zijn rol als motor van groei in de economische realiteit, zijn creativiteit, zijn ambitie en misschien ook nog hartelijker ontvangen in de internationale gremia die in staat zijn om de vrede te handhaven. Als u het mij vraagt moet de wereld Beijing juist bewonderen voor de wijze waarop langzaam -maar zeker, inderdaad , in harmonie, de rek wordt gevonden die zowel welvaart brengt als de positie van de machthebbers relatief intact laat. Laten we eens beginnen om werkelijk belangstelling te tonen voor de Chinees. Niet omdat we geld aan hem kunnen verdienen, maar omdat we een langdurige relatie met hem willen, nee, moeten opbouwen. En dat doe je langzaam, door eerst te geven en dan pas te nemen, door te investeren in samen eten en drinken en dronken worden en geschenken en aandacht besteden aan de familie, de gezondheid en het geluk van uw zakenpartner. Laten we China proberen zien als toekomstige politieman die sterk genoeg is om een verstandige en verantwoordelijke rol te spelen, maar wijs genoeg is om niet te gaan schieten. Wat we intussen vooral moeten hopen is dat de Chinese autoritaire leiders de juiste strategie zullen weten te vinden om de eventuele onvrede binnen de samenleving -bijvoorbeeld als gevolg van een te grote kloof tussen arm en rijk-, en de spanningen tussen de etnische groepen beheersbaar te houden. Een opstand, een burgeroorlog, zou rampzalige gevolgen kunnen hebben voor de hele wereld economie. China zou zijn grenzen vermoedelijk sluiten en zich na een ongetwijfeld zware strijd weer naar binnen keren. Heel slecht nieuws voor de wereldeconomie zou dit zijn. Ook valt te hopen dat president Hu Jintao niet speelbal wordt van koninkrijkjes in eigen land, zoals de militairen, de banken en de mega ondernemers. Politiek zwalken is het laatste wat China op dit moment kan gebruiken als het juist op zoek is naar balans.

Ik ben ervan overtuigd dat Amerika, zelfs als het relatief zwakker wordt, nog decennia lang zal kunnen profiteren van zijn innovatie- en veerkracht, van zijn open cultuur en zijn leunen op netwerken eerder dan hiërarchische machtsstructuren. Amerika zal de juiste allianties weten te sluiten. Een Verenigd Azië dat Amerika van zijn troon kan stoten lijkt geen waarschijnlijke optie. Ik denk dat de Amerikaanse haviken hun land geen dienst bewijzen door zo nadrukkelijk te wijzen op het verval van hun land. China zou er maar avontuurlijke ideeën door kunnen krijgen en de VS zouden vervolgens wel eens te nerveus op bepaalde ontwikkelingen kunnen reageren.

Amerika zou zoals al eerder aangegeven, wel een nieuwe definitie van macht moet zoeken. Niet macht over maar macht met elkaar. Slim samenwerken, transparantie overal bevorderen, om te beginnen bij zichzelf,  kennis delen, de rest van de wereld groei gunnen, begrijpen dat je met minder macht in zekere zin meer kunt bereiken juist omdat je minder bedreigend bent.

En wij? Wij zouden zo snel mogelijk Chinees moeten leren. Niet alleen spreken maar ook denken als de Chinees. Dan hoeven we straks niet te klagen dat we de boor hebben gemist maar kunnen we juist meeprofiteren.


 

 

 

 

Geen reactie's

Geef een reactie