Essentie en identiteit

Omdat de wereld zo ingewikkeld is creëren we volgens breindeskundigen categorieën om onze omgeving enigszins te begrijpen. Zo zou de sociale wereld bijvoorbeeld onderverdeeld kunnen worden in hipsters, nerds, kakkers, intellectuelen, wit of zwart. Bij elke categorie denkt de gemiddelde mens er karaktertrekken of typeringen bij, noodgedwongen vereenvoudigingen en generalisaties. Er zijn kennelijk conceptuele doosjes nodig om de lawine aan data die ons dagelijks overspoelen te ordenen. Zoals Kant al beweerde: percepties zonder concept zijn blind.

Het categoriseren wordt pas een probleem als mensen geloven dat deze mentale constructies steunen op een onderliggende werkelijkheid. Dit heet essentialisme, de overtuiging dat elke door ons van een etiket voorziene groep inderdaad een eigen natuur heeft, een onwrikbare essentie, geworteld in biologische eigenschappen. In het ergste geval zou daar de overtuiging uit kunnen vloeien dat Hutu’s essentieel verschillen van Tutsi’s of dat Friezen een beter DNA hebben dan, zeg, Brabanders. In Amerika komen steeds vaker essentialisten aan het woord, fundamentalisten die van mening zijn dat leden van een bepaalde groep veel meer op elkaar lijken -en dus solidairder zijn- dan in werkelijkheid het geval is. Zo overdrijven ze ook dat andersdenkenden onderling erg veel gemeen hebben en dus extreem verschillen van henzelf. Essentialisten vinden dat er keiharde grenzen moeten worden getrokken tussen de verschillende groepen en dat eenieder die een deel van de cultuur van de ‘tegenpartij’ overneemt een verrader is. Deze bewust opgeblazen groepsstrijd test de saamhorigheid van de eigen groep en geeft het leven betekenis. Volgens de filosoof Kwame Anthony Appiah van de New York University, geciteerd in The New York Times, zijn de extreme standpunten over wat identiteit eigenlijk is na WO II ontstaan. Essentialisme is steeds meer een politiek wapen geworden dat racisten, populisten en nationalisten goed van pas kwam. Het begint vaak met een tendentieuze vraagstelling waarin het antwoord al verscholen zit. Uit welk hout moet een leider zijn gesneden en is dat hout te herleiden tot een optelsom van unieke eigenschappen? Zo uniek dat concurrenten afgedaan kunnen worden als minderwaardig of in elk geval minder capabel? Op rechts beweren Amerikaanse ‘ethnonationalisten’ dat het witte ras historisch heeft bewezen het beste leiding te kunnen geven en dat samenlevingen zullen bloeien zolang alleen witte leiders aan het roer staan. Op links heerst volgens The New York Times steeds vaker de overtuiging dat ‘ras zo essentieel en diepgeworteld is dat het altijd gemeenschappen en samenlevingen zal blijven bepalen. In plaats van een liberale democratie na te streven waarbinnen we in de eerste plaats worden gezien als burgers met dezelfde rechten en plichten zouden we vooral getypeerd moeten worden als leden van een bepaald ras of religieuze gemeenschap.’

Er vinden in de VS conferenties plaats over “De Vrouw in de 21ste eeuw”, of “De Corrupte Media”, alsof dat vaststaande categorieën zijn. De aanval op de ‘nep’ media was een beproefd populistisch trucje van Donald Trump, die journalisten op één lijn plaatste met ‘communisten.’ Is de oplossing het hele idee van groepen en categorieën te laten vallen en alleen op het individu en diens eigenschappen te focussen? Maar met wie moet de Fries dan over zijn geschiedenis praten, zou Appiah tegenwerpen. Hij adviseert met gezonde achterdocht naar onze vooringenomenheden te kijken en nieuwsgierigheid naar andersdenkenden te combineren met de eigen groepsidentiteit. Zijn boodschap: als onze identiteit uiteindelijk opgebouwd is uit de som van onze ontmoetingen kunnen we er alleen maar leuker, interessanter, veelzijdiger en bescheidener van worden als we durven te ‘mengen.’ Culturele inteelt heeft in elk geval nog geen beschaving verder geholpen.

Geen reactie's

Geef een reactie