Ode aan het grote niets - Mark Blaisse
1414
post-template-default,single,single-post,postid-1414,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-content-sidebar-responsive,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-17.0,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-5.5.5,vc_responsive
Henri-Frédéric Amiel

Ode aan het grote niets

‘’Naar buiten gaan? Mijn knie zegt nee. Kletsen? Ik heb niemand. Spelen? Ik ben alleen. Dromen? Daar word ik verdrietig van. Lezen? ’s Nachts lukt me dat niet en het is bovendien slecht voor me. Plannen maken? Daar staat mijn hoofd niet meer naar.’’ (Zaterdag 5 september 1857)

De Zwitserse filosoof en dichter Henri-Frédéric Amiel (1821-1881) is een unicum in de universele literatuur. Volgens de inleiding van zijn 17.000 pagina’s tellend Journal Intime bestaat de grootsheid van Amiel in ‘de volharding waarmee hij zich oneindig uitdrukt over de banaliteit van het alledaagse’ en daar is geen woord van gelogen. Vijfendertig jaar lang heeft Amiel een dagboek bijgehouden over de absolute leegte. Elke beschreven dag onderscheidt zich doordat er helemaal niks gebeurt. Zijn leven lang heeft hij gedroomd van de boeken die hij zou gaan schrijven en de vrouwen met wie hij zou hebben kunnen trouwen. Dankzij zijn minutieus bijgehouden dagboek kreeg hij de indruk dat hij een rijk gevuld leven had gekend.

Niets wees aanvankelijk in de richting van een kluizenaarsbestaan. Amiel reisde in zijn jonge jaren door de wereld, studeerde in Berlijn en ging om met de Europese intellectuelen van zijn tijd. Zijn benoeming tot hoogleraar morele filosofie aan de universiteit van Genève in 1854 had hij te danken aan de democraten en dat koste hem de steun van de aristocratische partij die het culturele leven in Genève bepaalde. Vanaf dat moment voelde hij zich zo geïsoleerd dat hij zich terugtrok in zelfgekozen quarantaine met als resultaat het vuistdikke dagboek, dat in verschillende delen pas na zijn dood werd gepubliceerd.

Terwijl talloze mensen thuis tegen de muren opvliegen omdat ze hun partner of gezin niet vierentwintig uur per dag om zich heen dulden, dan wel terneergeslagen raken door paniekaanvallen en verveling, leert Amiel ons het onbeduidende nieuwe inhoud te geven. Zijn dagboek is een altaar voor het oneindig kleine. Buien, hoofdpijnen, stoelgangen en longproblemen, het zijn die schijnbaar onbelangrijke dingen die de geschiedenis van een mens vormgeven. Hij leert ons niet werkelijk te bestaan, niet op zoek te gaan naar impulsen, maar kracht te putten uit de dagelijkse encyclopedie van het niets: douchen, handenwassen, koken, telefoneren met je geliefde, het worden allemaal kapitale Gebeurtenissen. Innerlijke kracht put Amiel uit de stilte, het gebrek aan contact en het besef dat dromen over heldendaden met enige fantasie ook echte heldendaden worden. Maar het is niet alleen navelstaren dat ons geboden wordt. Nicolaas Matsier, die zich langdurig gebogen heeft over de dagboeken, wijst ons op de omvangrijke uittreksels van allerlei gelezen literatuur die Amiel in zijn dagboek meeneemt. ‘Amiel las levenslang adembenemend veel, over de volle breedte en diepte van diverse wetenschappen en literaturen. Vaak bespreekt hij die lectuur nauwgezet. Kritiseren en polemiseren doet hij natuurlijk ook.’

Zeventien miljoen Nederlanders krijgen de kans dankzij het corona virus kampioen in de ascese te worden, routine extremisten en vervelingstemmers. In tegenstelling tot de artsen en het verplegend personeel voeren zij een oorlog, veilig in hun in pyjama, met als enige uitvlucht Netflix. Wie inmiddels genoeg series heeft gezien en wat wil leren van zijn quarantaine kan aan zijn eigen dagboek van het niets beginnen, inclusief besprekingen van de stapels boeken die hij heeft gelezen. Als de crisis eenmaal voorbij is krijgen de aangedikte herinneringen ongetwijfeld een plaats in de vitrine van menige boekhandel.

 

 

 

 

 

 

 

 

1 Reactie
  • Harry Starren
    Geplaatst op 20:57h, 10 april Beantwoorden

    Prachtig. Een lezend leven.

Geef een reactie